Als de liefde er nog wel is, maar het niet lukt om deze samen verbindend in te zetten. Wat doe je dan? In mijn praktijk zie ik zelden koppels die helemaal geen liefde meer voelen. Die koppels gaan uit elkaar en doen geen moeite meer om hulp te zoeken.

Wat ik veel vaker zie, zijn twee mensen die elkaar langzaam maar zeker kwijt zijn geraakt door momenten van interne ‘ontregeling’. Er wordt harder gesproken dan bedoeld, er wordt gezwegen waar het verstandiger is om te spreken, er wordt gevreeën maar zonder echte afstemming.

Reguleren klinkt misschien als een technisch woord, alsof het gaat over controle of beheersing. Dat is niet waar regulatie over gaat. In essentie gaat reguleren over iets heel menselijks: het vermogen om de energie die in je leeft te dragen, te doseren en te richten, zonder jezelf of de ander te verliezen. Dat vraagt interne bedding: de stevigheid van het bekken en afstemming: de verbindende kwaliteit van het hart.

Het gaat onder andere over boosheid die niet vernietigt maar begrenst. Over verdriet dat niet overspoelt maar verbindt. Het gaat over seksuele energie vanuit het bekken die niet losraakt van het hart maar vanuit de liefde in de verbinding wordt gebracht.

Zonder regulatie wordt relateren zwaar en ingewikkeld. Met gezonde regulatie wordt de relatie ‘een mooie, interessante en levendige dans’.

Een koppel in ontregeling

Tom en Veerle zitten tegenover elkaar in mijn praktijkruimte. Ze houden zichtbaar van elkaar. Hun lichamen zijn naar elkaar gericht, maar hun ogen zoeken de grond. Elkaar aankijken is een klus. Tom zegt: “Ik heb het gevoel dat ik nooit iets goed doe.” Veerle reageert: “Zie je wel, nu draai je het weer om. Ik mag blijkbaar niet zeggen wat mij stoort.”

Wat er gebeurt is herkenbaar. Veerle wordt de aanklager. Ze voelt zich al langer niet gehoord en haar frustratie stapelt zich op. Tom schiet in slachtofferschap. Hij voelt zich tekortschieten en verzandt in zelfmedelijden. We bevinden ons midden in wat in de dramadriehoek de rollen van aanklager en slachtoffer worden genoemd. Wat bij beiden ontbreekt is het vermogen tot interne regulatie.

Veerle’s boosheid is op zichzelf niet het probleem. Haar boosheid vertelt dat er iets belangrijk voor haar is dat onvoldoende aandacht krijgt in hun relatie. Een van mijn leermeesters, Piet Weisfelt zegt altijd: “Boosheid, mits ingebracht in de relatie is ook liefdesenergie”. Wanneer de energie van Veerle ongefilterd naar buiten komt, verliest ze de verbinding met haar hart; de plek waar de liefde woont. Haar woorden en haar blik worden scherp en koud.

Tom’s gekwetstheid door de woorden van Veerle is evenmin verkeerd. Maar hij zakt weg in een oud kindstuk dat zegt: “Ik ben weer niet goed genoeg.” In plaats van bij zijn volwassen zelf te blijven, wordt hij weer de kleine jongen die zich wéér voelt falen en daarom wordt afgewezen.

Beiden verliezen op dat moment hun regulerende vermogen.

Regulatie begint in de kindertijd

Het vermogen om jezelf te reguleren ontwikkelt zich niet vanzelf. In onze eerste levensjaren wordt die taak grotendeels door ouders gedragen. Een kind dat overstuur is, wordt op schoot genomen en vastgehouden, waardoor het langzaam maar zeker weer rustig wordt. Een kind dat te uitbundig is, krijgt liefdevolle begrenzing. Door die voortdurende afstemming leert het lijf: emoties zijn welkom, energie mag stromen, maar er is ook richting en afstemming nodig.

Niemand krijgt hierin een perfecte start. Misschien werd jouw boosheid als kind consequent genegeerd of zelfs openlijk afgekeurd. Misschien moest je altijd sterk zijn en was er weinig ruimte voor verdriet. Misschien was er weinig begrenzing en moest je jezelf maar zien te redden als er intense gevoelens in jouw systeem aanwezig waren en je niet goed wist waar je het zoeken moest.

Wat je toen ontwikkelde om te overleven, neem je ook mee in je liefdesrelaties. En precies daar wordt zichtbaar hoe stevig, of kwetsbaar, je vermogen tot regulatie is.

Zelfreflectie als toegangspoort

Wat Tom en Veerle langzaam leren is om eerst te vertragen. In plaats van onmiddellijk te reageren, onderzoeken ze wat er werkelijk gebeurt.

Ik vraag Veerle: “Wat voel je dat er aanwezig is onder je boosheid?”

Na een stilte zegt ze: “Eigenlijk voel ik me alleen.”

Ik vraag Tom: “Wat gebeurt er nu in jou als zij dit zegt?”

Hij ademt diep in. “Dan voel ik vooral angst dat ik haar kwijt zal raken.”

Op dat moment verschuift er iets. Hun volwassen zelf komt terug in de ruimte. Zelfreflectie opent een deur naar een plek waar zij samen kunnen onderzoeken wat er speelt in hun dynamiek. Rustig, nieuwsgierig en zonder al teveel oordeel.

Zelfreflectie betekent dat je onderscheid kunt maken tussen verleden, heden en toekomst. Dat je kunt voelen: dit wat ik nu aan emoties ervaar, heeft veel met vroeger te maken. Dat je kunt zeggen: “mijn reactie hoort niet alleen bij deze situatie, maar ook bij mijn geschiedenis. De heftigheid die ik nu ervaar hoort niet bij wat er zich in het hier en nu voordoet”.

Zonder zelfreflectie regeert het ongereguleerde kindstuk. Met zelfreflectie komt er ruimte. En in die ruimte kan regulatie ontstaan. Dat is niet alleen een mentaal proces maar vooral ook een lichamelijke gewaarwording. Dat gaat over de wijsheid van het lichaam.

De centrale rol van het hart en het bekken bij regulatie

Regulatie is in de eerste plaats een lichamelijk proces, met het hart als belangrijk verbindend centrum. Met het bekken als stevig fundament waar het hart op mag steunen, op mag gronden.

Het hart is meer dan een pomp. Het is een orgaan dat tegenstellingen kan overbruggen. Het kan openen en sluiten. Het kan geraakt worden zonder zichzelf te verliezen. Het kan mild blijven wanneer het spannend wordt. Er worden meer signalen van het hart naar de hersenen gestuurd dan andersom. Het hart heeft een eigen intelligentie. Het voelt voordat jij denkt.

In het hart dragen we een heel vroege herinnering: de resonantie met het hart van onze moeder. Negen maanden lang hoorden we dat ritme. Hart-op-hartverbinding is geen romantisch idee, het is een lichamelijke imprint die ons bewust maakt van ons verlangen naar verbinding.

Wanneer het hart zich kan openen, is interne regulatie mogelijk, vaak op een zachte manier. Dan hoef je je energie niet te beheersen vanuit controle, maar kun je haar dragen vanuit verbinding.

Wanneer Veerle in contact komt met haar eenzaamheid in plaats van haar boosheid, opent haar hart. Wanneer Tom zijn angst voor verlies erkent zonder zich klein te maken, opent ook zijn hart. Vanuit het hart kunnen ze elkaar weer zien als mens en geliefden, niet als tegenstander waar je bang voor moet zijn.

Regulatie en seksualiteit

De rol van het hart wordt nog duidelijker in onze seksualiteit. Wanneer het hart open is, je levenslust ervaart en opwinding, dan pompt het meer bloed naar de genitaliën. Er ontstaat pulsatie en resonantie tussen hart en bekken. Lust en liefde zijn dan twee uitdrukkingen van dezelfde levensstroom. Dan is seksualiteit meer dan alleen lust en genitale opwinding.

Wanneer in de jeugd de verbinding tussen hart en seksualiteit onvoldoende gespiegeld werd, kan er een splitsing tussen beide polen zijn ontstaan. Dan wordt seksualiteit puur lichamelijk en losgekoppeld van emotionele verbinding. Dan gaat het over lust die moet worden bevredigd. Of omgekeerd: er is veel liefde vanuit het hart, maar weinig levendigheid in het bekken.

Reguleren betekent ook dat je in staat bent om de energie van seksuele opwinding te kunnen dragen zonder jezelf erin te verliezen. Dan kun je verlangen voelen en toch afgestemd blijven. Dan kun je jezelf openen zonder te versmelten. Hier is regulatie essentieel in.

Wanneer het toch weer schuurt

Terug naar Tom en Veerle.

Op een dag zegt Veerle: “Ik merk dat ik weer wil beginnen met verwijten.” Tom antwoordt: “En ik voel dat ik wil dichtklappen.” Ze lachen zacht. Niet uit cynisme, maar uit herkenning. Dat is regulatie in actie. Ze merken hun automatische overlevingspatroon op voordat die hen helemaal overneemt. Ze brengen woorden aan wat er schuurt. Ze blijven in contact met hun hart.

Dat betekent niet dat er geen conflicten meer zullen zijn. Het verschik is dat een conflict een plek van groei in plaats van een slagveld met winnaars en verliezers wordt.

Zelfliefde als basis

Zelfregulatie is onlosmakelijk verbonden met zelfliefde. Wanneer je jezelf niet kunt dragen, ga je onbewust eisen dat de ander dat voor je doet. Dan wordt liefde afhankelijkheid. Dan wordt seksualiteit een bevestiging dat je er toe doet.

Zelfliefde betekent niet dat je jezelf altijd fantastisch vindt. Het betekent dat je jezelf kunt dragen, ook wanneer je de fout ingaat. Dat je mild kunt kijken naar je eigen onvolmaaktheden. Vanuit die basis kun je werkelijk autonoom verbinden.

Een uitnodiging

Misschien herken je jezelf in de dynamiek van Tom of in Veerle. Misschien word jij sneller aanklager. Misschien schiet jij eerder in slachtofferschap of redder. De vraag is niet in welke rol je schiet. De vraag is: kun je op tijd merken waarin je terecht komt? Kun je je energie voelen voordat ze ontploft of implodeert? Kun je je hart erbij openhouden?

Reguleren is een levenslange oefening. Het vraagt moed om naar binnen te kijken. Het vraagt discipline om te vertragen. Het vraagt zachtheid om het hart open te houden wanneer het spannend wordt. Het vraagt volwassenheid om de stevigheid van het bekken als drager te gebruiken.

Maar wanneer je dat leert, verandert de kwaliteit van je relaties. Dan wordt liefde niet langer een strijdtoneel van onverwerkte stukken, maar een plek van groei.

Geworteld in zelfregulatie.
Aangeraakt door het hart.

Gedragen door het bekken.
Belichaamd in het hele lijf.

Precies daar, in die zachte, krachtige bedding, ontstaat ware, gegronde intimiteit.